Ga naar hoofdinhoud

Stap 2: Eén variabele (variabelen en f-strings)

info

Deze stap gebruikt variabelen en f-strings, uit Jij als variabele en f-strings.

Het enige dat tussen twee coupletten verandert, is het aantal flessen. Zet dat aantal in een variabele, dan kan de rest hetzelfde blijven:

flessen = 10
print(f"{flessen} groene flessen staan aan de muur,")

Uitvoer:

10 groene flessen staan aan de muur,

Tussen de accolades mag je ook rekenen. {flessen - 1} wordt 9 als flessen 10 is.

Opdracht: één couplet voor elk aantal​

Plak je programma uit stap 1 in het veld. Ben je het kwijt, neem dan de oplossing van stap 1.

Maak van je twee coupletten één couplet, geschreven met flessen: geen 10 of 9 meer in je print-regels. Met flessen op 10 is de verwachte uitvoer:

10 groene flessen staan aan de muur,
10 groene flessen staan aan de muur,
en als er één groene fles valt,
dan staan er 9 groene flessen aan de muur.

Werkt het? Zet flessen dan op 7 en draai opnieuw: je krijgt het couplet van zeven flessen, zonder dat je verder iets aanpast.

# Plak hier je programma uit stap 1
Klik hier voor een tip.

Het tweede couplet heb je niet meer nodig: dat is hetzelfde couplet met een ander getal. Welke getallen in het eerste couplet hangen af van het aantal flessen? De laatste regel noemt het aantal dat overblijft: één minder dan flessen, en dat kun je tussen de accolades uitrekenen.

Klik hier voor de oplossing.
flessen = 10
print(f"{flessen} groene flessen staan aan de muur,")
print(f"{flessen} groene flessen staan aan de muur,")
print("en als er één groene fles valt,")
print(f"dan staan er {flessen - 1} groene flessen aan de muur.")

Uitvoer:

10 groene flessen staan aan de muur,
10 groene flessen staan aan de muur,
en als er één groene fles valt,
dan staan er 9 groene flessen aan de muur.

De derde regel verandert nooit, dus die heeft geen f-string nodig.

Kopieer je programma voordat je verdergaat: de editor bewaart het niet.

Door naar stap 3: het hele lied.