Begrippenlijst (Glossary)
In de programmeerwereld vliegen de Engelse vaktermen je soms om de oren. Wat was een Boolean ook alweer? En wat is het verschil tussen een Functie en een Methode?
Hier vind je een alfabetisch overzicht van de belangrijkste begrippen uit de Python cursus.
Argument
Een waarde die je meegeeft aan een functie wanneer je deze aanroept. Bijvoorbeeld in print("Hallo") is de tekst "Hallo" het argument dat je aan de print-functie doorgeeft.
Attribuut
Een variabele die bij een object hoort. Je maakt hem in __init__ met self. ervoor en leest hem met een punt: rex.naam.
Bestand (open)
Tekst die op je computer blijft staan als je programma stopt. Met open("naam.txt", "w") schrijf je erin, met "a" voeg je regels toe, en zonder tweede argument lees je het.
Boolean (bool)
Een datatype dat maar twee mogelijke waarden kan hebben: True (Waar) of False (Niet Waar). Dit wordt vaak gebruikt in if-statements om voorwaarden te controleren.
Dictionary (dict)
Een verzameling gegevens waarbij elke waarde gekoppeld is aan een unieke sleutel (key). Je zoekt gegevens niet op via een volgnummer, maar via deze sleutel.
# 'leeftijd' is de sleutel, 15 is de waarde
leerling = {"naam": "Sara", "leeftijd": 15}
Exception (fout)
Een fout die Python tijdens het draaien opwerpt, zoals een ValueError of een KeyError. Zonder try stopt je programma erop; met try en except vang je hem af.
f-string
De modernste manier in Python om tekst (String) en variabelen met elkaar te mixen. Je zet een f voor het aanhalingsteken, en variabelen zet je direct in de tekst tussen { } accolades.
print(f"Hallo {naam}, jij bent {leeftijd} jaar oud.")
Float (float)
Een 'floating point number', oftewel: een kommagetal. Let op dat je in Python altijd een punt gebruikt in plaats van een komma, bijvoorbeeld 3.14 in plaats van 3,14.
Functie (def)
Een benoemd stukje code dat een specifieke taak uitvoert. Je schrijft het één keer en kunt het (door de naan van de functie te typen, inclusief haakjes) zo vaak hergebruiken als je wilt.
def zeg_hallo():
print("Hallo Wereld!")
Geneste dictionary
Een dictionary waarvan de waarden zelf weer dictionaries zijn. Je zoekt op met twee sleutels achter elkaar.
klas = {"Sara": {"leeftijd": 15, "cijfer": 8.1}}
print(klas["Sara"]["cijfer"]) # 8.1
Indentation (Inspringing)
De spaties aan het begin van een regel code. In Python is inspringen verplicht om aan te geven dat een stuk code binnen een if, for, while of def blok hoort. De standaard in Python is 4 spaties per inspringing.
Index
De numerieke positie van een element in een lijst of string. In Python (en in vrijwel alle andere programmeertalen) beginnen we altijd met tellen bij 0. Het eerste element staat dus op index 0.
__init__
De methode die Python aanroept als je een nieuw object maakt. Hier geef je het object zijn attributen.
Integer (int)
Een geheel getal (positief of negatief) zonder cijfers achter de komma, zoals 42, 0 of -5.
JSON
Een tekstvorm voor dictionaries en lijsten, waarmee je gegevens in een bestand bewaart. Met de module json schrijf je ze weg (json.dump) en lees je ze weer in (json.load).
Klasse (class)
Een bouwtekening voor je eigen soort object. De klasse zegt welke attributen en methoden elk object krijgt.
class Hond:
def __init__(self, naam):
self.naam = naam
List (Lijst / list)
De lijst is een variabele waarin je meerdere waardes tegelijk op volgorde kunt opslaan. Deze waarden staan altijd binnen blokhaken [ ].
cijfers = [7.5, 8.0, 6.2]
Loop (for / while)
Een blok code dat zichzelf herhaalt totdat aan een bepaalde voorwaarde is voldaan (de while-loop) óf waarbij vooraf vaststaat hoe vaak het wordt uitgevoerd (de for-loop).
Methode
In de basis is dit hetzelfde als een functie, maar een methode zit "vastgeplakt" aan een specifiek datatype of object. In plaats van methode(variabele) schrijf je met een puntje variabele.methode().
tekst = "hallo"
# upper() is een methode speciaal voor Strings
tekst_groot = tekst.upper()
In je eigen klasse schrijf je een methode als een def binnen de class, met self als eerste parameter.
Module
Een Python-bestand met functies die je in een ander bestand gebruikt met import. Dat kan een module van Python zelf zijn, zoals time, of een bestand dat je zelf schreef.
Object
Een ding dat je met een klasse maakt, zoals rex = Hond("Rex"). Elk object heeft zijn eigen waarden voor de attributen.
Parameter
Een variabele die je definieert in de haakjes van een functie. Het fungeert als een "lege bak" die later gevuld wordt met een Argument als de functie wordt aangeroepen.
def begroet(naam): # 'naam' is hier de parameter
print(f"Hallo {naam}!")
Raise
Zelf een fout opwerpen, bijvoorbeeld raise ValueError("Te weinig saldo"). Handig in een functie of methode die iets krijgt waar hij niets mee kan.
Return
Het sleutelwoord dat je gebruikt aan het einde van een functie, waarmee je het resultaat "teruggeeft" aan de plek in je code waar de functie werd aangeroepen. Op deze manier kun je met het antwoord verder rekenen, in plaats van dat het alleen maar op je scherm wordt geprint.
Scope
De "geldigheid" van een variabele. Variabelen die binnenin een functie worden aangemaakt hebben een lokale scope, wat betekent dat ze niet bestaan buiten het ingesprongen blok van die functie.
self
De eerste parameter van elke methode in een klasse. Hij staat voor het object waarop je de methode aanroept: bij rex.blaf() is self het object rex.
Set (set)
Een verzameling waarin elk element maar één keer voorkomt en die geen volgorde heeft. Handig om bij te houden wat je al gehad hebt: toevoegen met .add(), checken met in.
bezocht = set()
bezocht.add("A")
print("A" in bezocht) # True
__str__
Een methode die met return de tekst teruggeeft die print van een object laat zien.
String (str)
Het datatype voor tekst. Strings staan altijd tussen enkele of dubbele aanhalingstekens (quotes) om ze te onderscheiden van code of wiskunde.
tekst1 = "Dit is tekst."
tekst2 = 'Dit mag ook.'
Try en except
Probeer de code onder try, en doe de code onder except als er een fout optreedt die je daar noemt.
try:
getal = int("twaalf")
except ValueError:
print("Dat is geen getal.")
Tuple (tuple)
Een vast rijtje waardes dat bij elkaar hoort, tussen ronde haakjes. Na het maken niet meer te veranderen. Uitpakken kan in één regel.
punt = (3, 5)
x, y = punt
Variabele
Een "doosje" of "label" met een zelfgekozen naam waarin je informatie in het computergeheugen opslaat. Je kunt de waarde op elk gewenst moment lezen óf overschrijven.
score = 0 # Variabele wordt aangemaakt
score += 10 # Variabele wordt bijgewerkt