Begrippen
De moeilijke woorden uit de Linux-cursus, op alfabet. In de lessen staat onder zo'n woord een stippellijn: klik erop en je ziet dezelfde uitleg, zonder de les te verlaten.
- absoluut pad
- Een pad dat met
/begint: het begint bij de root, waar je ook staat. Uitgelegd in 1.2 Door mappen lopen - commando
- Een opdracht die je in de terminal typt, zoals
whoamiofls; na Enter voert de computer hem uit. Uitgelegd in 1.1 Je eerste commando's - dienst
- Een programma dat op de achtergrond blijft draaien, ook als niemand is ingelogd, en na een herstart vanzelf weer start. Uitgelegd in 6.4 Diensten
- DNS
- Het opzoeken van het IP-adres bij een naam, zoals
one.one.one.one. Uitgelegd in 7.1 Netwerk - eigenaar
- De gebruiker van wie een bestand is;
ls -lzet hem in de derde kolom. Uitgelegd in 4.1 Van wie is dit? - groep
- Een lijst gebruikers die samen iets mogen; elk bestand heeft een groep, met eigen rechten. Uitgelegd in 4.1 Van wie is dit?
- IP-adres
- Het adres van een computer in een netwerk, zoals
172.27.80.14. Uitgelegd in 7.1 Netwerk - jokerteken
- Een teken dat op meer namen past:
*op elk stuk tekst,?op precies één teken. Uitgelegd in 2.4 Jokertekens - omgevingsvariabele
- Een variabele die meegaat naar elk programma dat je start, zoals
$HOME. Uitgelegd in 5.4 Variabelen in de shell - omleiden
- Met
>stuur je wat een commando zegt niet naar het scherm, maar een bestand in. Uitgelegd in 2.2 Maken en schrijven - optie
- Een stukje achter een commando dat met een streepje begint, zoals
-ainls -a; het verandert wat het commando doet. Uitgelegd in 1.1 Je eerste commando's - pad
- De weg naar een bestand of map, met een
/tussen de mappen, zoals/home/student/notities.txt. Uitgelegd in 1.2 Door mappen lopen - pakket
- Een programma zoals
apthet installeert, met alles wat erbij hoort. Uitgelegd in 6.1 Programma's installeren - PID
- Process id: het nummer van een proces, waarmee je het opzoekt en stopt. Uitgelegd in 6.3 Processen
- pipe
- Het teken
|: het geeft de uitvoer van het ene commando door aan het volgende. Uitgelegd in 3.1 Zoeken en doorgeven - poort
- Een nummer waarop een programma op een computer luistert, zoals
8000inlocalhost:8000. - privésleutel
- Het geheime deel van je sleutelpaar; die geef je nooit aan iemand en zet je nooit online. Uitgelegd in 7.2 Inloggen op een andere computer
- proces
- Een programma dat draait; elk proces heeft een nummer, de PID. Uitgelegd in 6.3 Processen
- prompt
- De regel voor de cursor, zoals
student@oefenpc:~$: wie je bent, op welke computer, en in welke map je staat. Uitgelegd in 1.1 Je eerste commando's - publieke sleutel
- Het deel van je sleutelpaar dat iedereen mag zien; dat zet je op de server of op GitHub. Uitgelegd in 7.2 Inloggen op een andere computer
- rechten
- Wie een bestand mag lezen (
r), schrijven (w) en uitvoeren (x), apart voor de eigenaar, de groep en de rest. Uitgelegd in 4.1 Van wie is dit? - relatief pad
- Een pad zonder
/vooraan: het begint in de map waar je nu staat. Uitgelegd in 1.2 Door mappen lopen - root
- De map
/bovenaan de boom waar alle bestanden aan hangen, en ook de naam van de beheerder, die alles mag. Uitgelegd in 1.2 Door mappen lopen - server
- Een computer of programma dat iets aanbiedt aan andere computers, zoals een website; een servercomputer staat meestal zonder scherm in een datacenter. Uitgelegd in 7.2 Inloggen op een andere computer
- shell
- Het programma dat leest wat je typt en daarna het commando start; op Ubuntu heet hij
bash. Uitgelegd in 2.4 Jokertekens - sleutelpaar
- Twee bestanden die bij elkaar horen: een privésleutel die geheim blijft en een publieke sleutel die op de server komt. Uitgelegd in 7.2 Inloggen op een andere computer
- ssh
- Secure shell: inloggen op een andere computer, waarbij je in je eigen terminal typt en de commando's daar draaien. Uitgelegd in 7.2 Inloggen op een andere computer
- systemd
- Het programma dat op Ubuntu de diensten start en stopt; je praat ermee via
systemctl. Uitgelegd in 6.4 Diensten - terminal
- Het venster waarin je commando's typt en de antwoorden van de computer leest. Uitgelegd in Linux: zo werkt deze cursus
- thuismap
- Je eigen map,
/home/studentin de oefenterminal; de prompt kort hem af tot~. Uitgelegd in 1.1 Je eerste commando's - tunnel
- Een poort op je eigen computer die via ssh uitkomt bij een poort op de server. Uitgelegd in 7.5 Een tunnel met ssh
- Ubuntu
- De Linux die je in deze cursus gebruikt, en die je op de meeste servers tegenkomt. Uitgelegd in 5.1 WSL installeren
- uitvoer
- Wat een commando terugzegt: meestal tekst op het scherm, of met
>in een bestand. - variabele
- Een naam met een waarde, zoals
$USER; de shell zet de waarde op die plek voordat het commando start. Uitgelegd in 5.4 Variabelen in de shell - vingerafdruk
- Een korte code die uit een wachtwoord of sleutel is berekend: je herkent het origineel eraan, maar terugrekenen kan niet; ssh herkent er een computer aan. Uitgelegd in 7.2 Inloggen op een andere computer
- WSL
- Windows Subsystem for Linux: een echte Linux die op je Windows-computer draait, naast je gewone programma's. Uitgelegd in 5.1 WSL installeren